Veel geblaat, weinig fiscale wol; advocaat Stijn De Meulenaer

“De strafklacht van de BBI zal het vertrouwen in fiscale regularisatie alleen doen kelderen”, zegt Stijn De Meulenaer.

Daags nadat deze krant berichtte over de nieuwe regularisatiewet die maar traag op gang komt (DS 25 oktober), vernemen we dat de gewestelijk directeur van de BBI Gent, Karel Anthonissen een strafklacht zou hebben ingediend bij alle Belgische parketten. Hij wil dat er een strafonderzoek komt naar alle regularisatiedossiers die ooit bij het Contactpunt voor Regularisaties werden behandeld. Los van de vraag of de parketten die nu al kreunen onder de zware werklast op zo’n demarche zitten te wachten, rijst de vraag naar zowel de wettelijkheid als de opportuniteit van deze strafklacht.

Misdrijf

Ons land heeft sedert 2004 verschillende wettelijke mogelijkheden gecreëerd om ontdoken belastingen alsnog aan te geven en ze te laten regulariseren tegen een door de wet bepaald vast tarief. Omdat belastingontduiking niet alleen een fiscaal probleem is, maar ook een misdrijf, krijgen de aangevers die een succesvolle fiscale regularisatie hebben doorlopen een attest dat hen vrijwaart van verdere fiscale én strafrechtelijke aanspraken. Maar de fiscale en de strafrechtelijke verjaringstermijnen lopen niet gelijk. Kort door de bocht kunnen we zeggen dat de mogelijkheid voor de fiscus om nog belastingen in te vorderen in geval van fraude na zeven jaar afloopt. Op strafrechtelijk vlak ligt dit helemaal anders: daar begint de – op zich kortere – verjaringstermijn niet te lopen zolang (het witwassen van) de fraude wordt aangehouden.

Met dit onderscheid werd tot medio 2013 door de wetgever geen rekening gehouden. Pas vanaf de zomer van 2013 ontstond de wettelijke mogelijkheid om ook zogenaamd ‘fiscaal verjaard kapitaal’ (dat fiscaal dus niet meer invorderbaar is, maar wel nog een strafrechtelijk risico inhoudt) te regulariseren tegen een apart tarief van toen 35 procent. Pas vanaf dit ogenblik werden de aangevers ook verplicht om de herkomst van hun kapitaal te verklaren en toe te lichten aan de hand van een zogenaamd ‘fraudeschema’. Voorheen kon dit niet.

Koude steen

Het is algemeen geweten dat de wetgever degene die onder de oude wet alleen het fiscaal niet-verjaarde gedeelte regulariseerde, wil aanzetten om de oefening nog eens over te doen: de wet voorziet zelfs expliciet in de mogelijkheid om een tweede keer te regulariseren. Het is maar de vraag of de recente demarche van de BBI dit beoogde resultaat zal opleveren. Eerst en vooral rijst de vraag naar de wettelijkheid van de strafklacht van de BBI. Om een ontvankelijke strafklacht neer te leggen, moet je blijk geven van een juridisch belang. De fiscus heeft er vanzelfsprekend alleen belang bij om op fiscaal nog niet-verjaarde fraude te jagen, en niet om een onderzoek te vragen naar feiten waarvan ze zelf aangeeft dat ze fiscaal verjaard zijn. De klacht zou dus wel eens op een koude steen kunnen vallen.

Zelfs als de parketten de klacht toch te baat nemen, dan nog is het de vraag hoe ze dit titanenwerk efficiënt gaan aanpakken. Bovendien zullen de strafrechtelijke instanties rekening moeten houden met de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat stelt dat er slechts sprake is van nog niet-verjaard witwassen van fiscale fraude wanneer de rechter met zekerheid elke legale herkomst kan uitsluiten. Anders gezegd: alleen die dossiers waarin de strafrechter concludeert dat het verjaard kapitaal op geen enkele manier legaal vergaard kan zijn, zullen aanleiding kunnen geven tot een vervolging met enige kans op succes. Dit zal sowieso een minderheid zijn.

Het enige wat het initiatief van de BBI wellicht wel bewerkstelligt, is dat het wankele vertrouwen in de fiscale regularisatie dat in de loop der jaren te voet is gekomen, wellicht tegen een rotvaart te paard aan het wegsnellen is. Jagen met de fanfare op kop heet zoiets. Het levert zelden iets op.