Aanpassingen aan de woning nodig ingevolge een arbeidsongeval?

Lees hieronder het volledige blog artikel geschreven door onze advocate Anne-Sophie Claeys, gespecialiseerd in het rechtsdomein arbeidsrecht en sociaal recht.

Een recent arrest van het Hof van Cassatie gewezen op 9 oktober 2017 geeft een antwoord in de discussie of woningaanpassingen vergoed kunnen worden in het kader van de Arbeidsongevallenwet, met name of deze aanpassingen al dan niet kunnen gelijkgesteld worden als prothesen. Bevat de lijst in artikel 35, eerste lid, 4° van het Koninklijk Besluit (KB) van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en zoals gewijzigd bij KB van 5 juni 2007 (B.S. 22 juni 2007 (tweede uitg.)), waarin enkel de monolift en de traplift worden vermeld, nu wel of niet een limitatieve opsomming van de in aanmerking komende woningaanpassingen.

Wie slachtoffer wordt van een arbeidsongeval kan aanspraak maken op, onder meer, de kosten voor aankoop, onderhoud en vernieuwing van de prothesen en orthopedische toestellen die nodig zijn als gevolg van het ongeval (artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet).

Het begrip prothesen en orthopedische toestellen werd onder invloed van de rechtspraak van het Hof van Cassatie steeds ruim ingevuld en begrepen als alle kunst- en hulpmiddelen die een valide persoon niet behoeft en die nodig zijn als gevolg van het arbeidsongeval om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen, dan wel het gebruik of de functies ervan te bevorderen. De prothese of het toestel moet nodig zijn, niet noodzakelijk.

Aldus werd, uiteraard afhankelijk van het letsel en het ‘nodig’ karakter, als een nodige prothese beschouwd : een knieprothese, een aangepaste auto, een rolstoel, …. 

Gelet op de ruime invulling die aan het begrip prothese werd gegeven, werd voor 2007 aangenomen dat ook aanpassingen aan de woning in aanmerking konden komen voor vergoeding als prothese door de arbeidsongevallenverzekeraar. Het Hof van Cassatie bevestigde in zijn arrest van 22 juni 2009 (AR S.08.0139.N) dat de aanpassing van de inrichting van een badkamer in bepaalde omstandigheden als een prothese kon worden beschouwd.

In 2007 werd echter het KB van 21 december 1971 aangepast en werd het begrip prothese, en in het bijzonder de aanpassingen aan de woning, verder gepreciseerd. Deze opsomming beperkte zich tot de vermelding van de traplift en de monolift.

Hoewel de rechtspraak, een uitzondering niet te na gesproken, in het algemeen van oordeel was dat deze opsomming een limitatief karakter vertoonde, was zij het niet eens over de vraag of de Koning wel bij machte was om een degelijke limitatieve opsomming te introduceren.

Het Arbeidshof te Gent was van oordeel dat de Koning, met het bepalen van een limitatieve lijst, zijn macht te buiten was gegaan. Het Arbeidshof te Antwerpen meende daarentegen dat de Koning wel degelijk binnen de hem verleende bevoegdheid was gebleven.

Deze uiteenlopende rechtspraak was uiteraard weinig bevorderlijk voor de rechtszekerheid en installeerde daarenboven een ongelijkheid tussen de slachtoffers van het arbeidsongeval die, afhankelijk van hun woonplaats, wel of niet een grotere kans hadden om de aanpassingswerken aan hun woning vergoed te zien.

Zoals hierboven aangestipt heeft het Hof van Cassatie in zijn arrest van 9 oktober 2017 standpunt ingenomen met betrekking tot deze onzekerheid en discriminatie. In dit arrest overweegt het Hof dat de Koning niet bij machte was om de toekenning van noodzakelijke prothese of orthopedische toestellen aan de slachtoffers van een arbeidsongeval in te perken. Het Hof geeft expliciet aan dat de opsomming van aanpassingswerken aan een woning niet kan aanzien worden als een limitatieve lijst: “Artikel 35, eerste lid, 4°, van het Koninklijk Besluit van 21 december 1971 kan dan ook niet worden aangezien als een limitatieve lijst van de aanpassingswerken aan een woning die als een prothese of een orthopedisch toestel kunnen worden aangezien.”

Arbeidsongevallenverzekeraars kunnen zich dan ook niet langer verschuilen achter het artikel 35, eerste lid, 4° van het KB van 21 december 1971 en partijen zullen opnieuw moeten discussiëren over het al dan niet ‘nodig’ karakter van de aanpassingswerken aan de woning. De problematiek is echter minder evident voor die slachtoffers wiens arbeidsongeval reeds werd afgehandeld en die een sluitende overeenkomst hebben gesloten die werd bekrachtigd door het Fonds voor Arbeidsongevallen, thans FEDRIS. Een mogelijkse piste voor hen zou kunnen bestaan uit het inroepen van de rechtsdwaling om de overeenkomst te vernietigen. Zij dienen er zich er dan uiteraard wel van te vergewissen dat zij geen andere rechten in het gedrang brengen.