NIEUWSFLASH : Verbodsbepalingen inzake oneerlijke bedingen tussen bedrijven

Sinds 1 december 2020 zijn de nieuwe bepalingen van het wetboek van economisch recht (hierna "het WER" genoemd) met betrekking tot oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen ondernemingen in werking getreden.  

Net als de bepalingen voor consumentenovereenkomsten hebben deze bepalingen tot doel een ernstige juridische onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen te voorkomen.  

Voortaan bepaalt het WER uitdrukkelijk: "Elk oneerlijk beding is verboden en nietig", maar het bepaalt dat "de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.” (Art. VI.91/6 van het WER).  

Volgens een algemeen criterium wordt een beding in een tussen ondernemingen gesloten overeenkomst als oneerlijk beschouwd en is het dus verboden: "wanneer het, alleen of in combinatie met een of meer andere bedingen, een duidelijk gebrek aan evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen veroorzaakt". (Art. VI.91/3 van het WER).  

Er wordt duidelijk gesteld dat de beoordeling van het oneerlijke karakter van de bedingen niet van toepassing is op essentiële bedingen die het hoofdonderwerp van de overeenkomst of de toereikendheid van de prijs en de als tegenprestatie te leveren producten definiëren, mits deze bedingen op duidelijke en begrijpelijke wijze zijn opgesteld. De nietigheid van een oneerlijk beding mag dus in principe niet van invloed zijn op de eigenlijke inhoud van de overeenkomst en zal de overeenkomst zelf dus niet ongeldig maken.

Dit verbod, dat gebaseerd is op het algemene criterium van de kennelijke onevenwichtigheid, wordt vergezeld met twee lijsten met categorieën van oneerlijke bedingen:

  • een zwarte lijst van bedingen die "het evenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen ernstig verstoren" en die onweerlegbaar geacht worden oneerlijk te zijn en daarom automatisch verboden zijn, en,
  • een grijze lijst van vermoedelijke oneerlijke bedingen waarvoor de onderneming kan aantonen dat het betwiste beding, rekening houdend met de omstandigheden en kenmerken van de overeenkomst, geen duidelijk onevenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen schept.  

De clausules op de zwarte lijst zijn die welke tot doel hebben :

“1° te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de andere partij terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van haar wil;  

2° de onderneming het eenzijdige recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;

3° in geval van betwisting, de andere partij te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming;

4° op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de andere partij vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst." (Art. VI.91/4 WER)  

Met betrekking tot de grijze lijst, clausules die het doel hebben om :

“1° de onderneming het recht te verlenen om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen;  

2° een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen of te vernieuwen, zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;

3° zonder tegenprestatie het economische risico op een partij leggen indien die normaliter op de andere onderneming of op een andere partij bij de overeenkomst rust;

4° op ongepaste wijze de wettelijke rechten van een partij uit te sluiten of te beperken in geval van volledige of gedeelde wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de andere onderneming van een van haar contractuele verplichtingen;

5° onverminderd artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, de partijen te verbinden zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;

6° de onderneming te ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar zware fout of voor die van haar aangestelden of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken;

7° de bewijsmiddelen waarop de andere partij een beroep kan doen te beperken;

8° in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die kennelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden." (Art. VI.91/5 WER)

Deze nieuwe regels inzake oneerlijke bedingen zijn alleen van toepassing op overeenkomsten die sinds 1 december 2020 zijn gesloten, vernieuwd of gewijzigd.  

Valentine Pacco

Everest Law

18 janvier 2021