1. Gemeentelijke bevoegdheden tot tijdelijke sluiting van horecazaken:

 

Recent heeft de Raad van State zich nog eens uitgesproken over de wettigheid van een beslissing tot tijdelijke sluiting van een horecazaak. Gemeentebesturen beschikken over de mogelijkheid om vergunde inrichtingen zoals horecazaken tijdelijk te sluiten wanneer deze inbreuken plegen op plaatselijke reglementen. Deze bevoegdheid is vastgelegd in artikel 45 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (GAS-wet).[1] Inbreuken op voorschriften zoals het terrassenreglement in deze zaak kunnen, mits voorafgaande verwittiging, aanleiding geven tot sancties die gaan van geldboetes tot (tijdelijke) sluiting van de inrichting.

 

2. Voorwerp en feiten

 

De verzoekende partij is een horecazaak met eilandterras in Antwerpen. Sinds 2022 beschikte de uitbater over een terrastoelating, maar hij overschreed herhaaldelijk de toegelaten afmetingen en transformeerde het terras tot een “winterproof” variant, in strijd met het Antwerpse Terrassenreglement. Ondanks meerdere boetes, waarschuwingen en een eerdere sluitingsmaatregel in december 2024, bleven de overtredingen aanhouden. Op 28 maart 2025 besloot het Antwerpse stadsbestuur de horecazaak voor twee weken te sluiten op grond van de volgende motieven:

 

    • Aan de betrokkene dient een duidelijk signaal te worden gegeven dat de voorwaarden opgenomen in het Terrassenreglement dienen nageleefd te worden, meer bepaald dat de voorwaarden en afmetingen opgenomen in de uitgereikte terrastoelating en dat eilandterrassen niet winterproof mogen worden gemaakt;
    • Een tijdelijke sluiting van de inrichting van twee weken staat in verhouding tot de gestelde inbreuken: het is duidelijk dat de betrokkene zich niet schikt naar de betreffende voorschriften uit het Terrassenreglement en de aan haar uitgereikte terrastoelating, en zij dus steeds en consequent een veel te ruim terras opstelt. Daarnaast vormt de betrokkene haar eilandterras om naar een winterproofterras;
    • de betrokkene werd meermaals gewaarschuwd, zowel via processen-verbaal als via formele waarschuwingen;
    • de administratieve geldboetes en de vorige opgelegde sluiting die aan de betrokkene werden opgelegd, hebben niet het gewenste resultaat teweeggebracht aangezien zij niet hebben geleid tot een gedragsverandering;
    • de betrokkene heeft intussen reeds zeer veel tijd gehad om haar situatie te regulariseren en de inbreuken te herstellen.

Tegen deze beslissing diende de uitbater een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State.

 

3. Middelen en beoordeling: “wie niet horen wil moet voelen”

 

In een eerste middel voerde de uitbater ten eerste aan dat hij niet voorafgaandelijk verwittigd werd in de zin van artikel 45 GAS-wet.

 

Volgens de Raad van State toont de uitbater niet aan dat hij bij stelselmatige overtredingen telkens opnieuw eerst een voorafgaande verwittiging moet krijgen voordat een sanctieprocedure ingesteld wordt voor de gepleegde feiten. Het volstond dus dat de uitbater in het verleden al een dergelijke verwittiging ontvangen had.

 

De betrokkene had ook de mogelijkheid gekregen om zich te verweren tegen de voorgenomen maatregel maar heeft dat niet gedaan.

 

Ook het tweede middel, dat in essentie inhield dat de sanctie disproportioneel zou zijn, vindt geen gehoor. De Raad onderstreept dat de hardnekkige overtredingen en het uitblijven van gedragswijziging een sluiting van twee weken rechtvaardigen.

 

 

Anthony Poppe

 


[1]  De betrokken bepalingen van de GAS-wet bepalen het volgende: “Art. 45. De schorsing, de opheffing en de sluiting, bedoeld in artikel 4, § 1, 2° tot 4°, worden opgelegd door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege.

Zij kunnen slechts worden opgelegd nadat de overtreder een voorafgaande verwittiging heeft gekregen. Deze verwittiging bevat een uittreksel van het overtreden reglement of van de overtreden verordening.

De gemeenteraad bepaalt de manier waarop deze sancties ter kennis van de overtreder worden gebracht. 

Afdeling 2. – Sancties en alternatieve maatregelen voor deze sancties

Onderafdeling 1. – Algemene bepalingen

Art. 4. § 1. De gemeenteraad kan in zijn reglementen of verordeningen in de mogelijkheid voorzien om een of meer van de volgende sancties op te leggen voor de feiten bedoeld in de artikelen 2 en 3 :

1° een administratieve geldboete die maximaal 175 of 1.500 euro bedraagt, naargelang de overtreder minderjarig of meerderjarig is;

2° de administratieve schorsing van een door de gemeente verleende toestemming of vergunning;

3° de administratieve opheffing van een door de gemeente verleende toestemming of vergunning;

4° de tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting.”